Zaterdag 4 april 2026 om 20.30 uur

Domkerk, Stille Zaterdag
Voorganger(s): ds. Lennart van Berkel
Ouderling(en): Arjen van Duijn
Organist: Christian Hutter

Beamer: Cees Vermeer
Streamer: Evert van den Berg
Collecte: géén
Locatie: Domkerk

Klik op de button om mee te luisteren   
Meekijken? Dit kan door te klikken op dit logo:   of via 


Orde van dienst: 
Thema: De Adem die leven geeft
We komen in stilte de kerk binnen. De kerk is schaars verlicht….

Welkom

Bemoediging en groet

Lied – NLB (Psalm) 103e (NL – ENG – NL)
Prijs de Heer, mijn ziel en prijs Zijn heil'ge naam.
Prijs de Heer, mijn ziel Die mij het leven geeft.

Bless the Lord, my soul, and bless God’s holy name.
Bless the Lord, my soul, Who leads me into life.

Prijs de Heer, mijn ziel en prijs Zijn heil'ge naam.
Prijs de Heer, mijn ziel Die mij het leven geeft.

Gebed om de Heilige Geest

[Schepping]

Lezing uit het Oude Testament – Genesis 2: 4-7
4Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, zo werden ze geschapen.
In de tijd dat de HEER God aarde en hemel maakte, 5groeide er op de aarde nog geen enkele struik en was er geen enkel gewas opgeschoten, want de HEER God had het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land te bewerken; 6wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide. 7Toen maakte de HEER God de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de mens een levend wezen.

Lied – NLB 162: 1 en 6
In het begin lag de aarde verloren
in het begin in de duisternis;
God sprak zijn woord en het licht werd geboren,
’t licht dat vandaag onze dag nog is.

In het begin riep God mensen tot leven,
in het begin was het woord in hun mond.
Wat was het goed om op aarde te wonen,
wat was God blij dat de wereld bestond.



[Herstel]

Lezing uit het Oude Testament – Ezechiël 37: 1-14
1Ik werd opnieuw door de hand van de HEER gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en Hij zette mij neer in een dal vol beenderen. 2Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. 3De HEER vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘HEER, mijn God, dat weet U alleen.’ 4Toen zei Hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de HEER! 5Dit zegt God, de HEER: Beenderen, Ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. 6Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben.”’
7Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneenvoegden. 8Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. 9Toen zei Hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de HEER: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ 10Ik profeteerde zoals Hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte.
11En Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Het zegt: “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.” 12Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Mijn volk, Ik zal jullie graven openen, Ik laat jullie uit je graven komen en Ik zal jullie naar het land van Israël brengen. 13Mijn volk, als Ik je graven open en jullie uit je graven laat komen, zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben. 14Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, Ik zal jullie in je eigen land laten wonen, en jullie zullen beseffen dat Ik de HEER ben. Wat Ik gezegd heb, zal Ik doen – zo spreekt de HEER.”’

Lied – NLB 610
Zo dor en doods, / zo levenloos
verlamd, uiteengeslagen,
zonder hoop en zonder troost
slijten wij de dagen.

God, zie ons dan / teloor gegaan,
versteend en dood gezwegen,
levend waar geen dag meer is, / nacht aan nacht geregen.

Zijt Gij het, Heer, / die weet wanneer
wij ooit zullen herleven?
Met uw adem kunt Gij toch / ons het leven geven?

Kom dan en spreek / uw woord en breek
zo onze graven open.
Wil ons met de geesteskracht / van uw adem dopen.

Wek ons voorgoed!
Zet met uw gloed / ons recht op onze voeten.
Vol van leven zullen wij / ‘t morgenlicht begroeten.

Blaas met uw Geest / in ons het feest
dat allen zal verwarmen.
Open ons het vergezicht / op uw groot erbarmen!



[Eer aan de gezalfde]

Lezing uit het Nieuwe Testament – Johannes 19: 31-42
31Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen. 32Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander. 33Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat Hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet. 34Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit. 35Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft. 36Dit gebeurde omdat de Schrift in vervulling moest gaan: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’ 37Een andere schrifttekst zegt: ‘Ze zullen hun blik richten op Hem die ze hebben doorstoken.’
38Na deze gebeurtenissen vroeg Josef van Arimatea – die een leerling van Jezus was, maar uit angst voor de Joden in het geheim – aan Pilatus of hij het lichaam van Jezus mocht meenemen. Pilatus gaf toestemming en Josef nam het lichaam mee. 39Nikodemus, die destijds ’s nachts naar Jezus toe gegaan was, kwam ook; hij had een mengsel van mirre en aloë bij zich, wel honderd litra. 40Ze wikkelden Jezus’ lichaam met de balsem in linnen, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. 41Bij de plaats waar Jezus gekruisigd was lag een tuin, en daar was een nieuw graf, waarin nog nooit iemand begraven was. 42Omdat het voor de Joden voorbereidingsdag was en dat graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.

Overdenking

Meditatieve stilte


DOOPGEDACHTENIS

Lezing uit het Nieuwe Testament – Romeinen 6: 3-5
3Weet u niet dat wij die gedoopt zijn in Christus Jezus, zijn gedoopt in zijn dood? 4We zijn door de doop in zijn dood met hem begraven om, zoals Christus door de macht van de Vader uit de dood is opgewekt, een nieuw leven te leiden. 5Als wij delen in zijn dood, zullen wij ook delen in zijn opstanding.

Lied – NLB 350: 1 t/m 4 en 7
Het water van de grote vloed
en van de zee zo rood als bloed,
dat is de aardse moederschoot,
dat is de diepte van de dood.

Want al het water wast niet af,
dat wij verzinken in dit graf,
tenzij de duif die nederdaalt
ons uit de hoge vrede haalt.

Tot ondergang zijn wij gedoemd,
als God ons niet bij name noemt,
maar God-zij-dank, Hij doet ons gaan
door ’t water van de doodsjordaan.

Wij staan geschreven in zijn hand,
Hij voert ons naar ’t beloofde land.
Als kinderen gaan wij zingend voort,
de Vader is het die ons hoort.

Gij heft de aarde aan het licht
door diepte heen en door gericht,
eens zal zij bloeien als een roos,
een dal van rozen, zondeloos!

Verzaking en geloofsbelijdenis
Broeders en zusters, in de doop zijn wij met Christus begraven
om met Hem ten leven te worden opgewekt.
Daarom vraag ik allen (die hun doop willen gedenken),
uw stem te verheffen en mij antwoord te geven:

Wilt u de Heer uw God dienen en naar zijn stem alleen horen?
G:        JA, DAT WIL IK

Wilt u zich verzetten tegen alle mac­hten die als goden over ons willen heersen?
G:        JA, DAT WIL IK

Wilt u ieder slavenjuk afwerpen  en leven in de vrijheid van Gods kinderen?
G:        JA, DAT WIL IK

Schaam u dan niet om Christus te belijden,
want het evangelie is een kracht van God tot behoud van ieder die gelooft;
en antwoordt in gemeenschap met de kerk van alle eeuwen:

Gezongen geloofsbelijdenis – NLB 344
Wij geloven één voor één
en ook samen:
de Heer is God en anders geen. Amen, amen.

Wij geloven in de naam
Jezus Christus,
gestorven en weer opgestaan. Halleluja!

Wij geloven dat de Geest
ook nog heden
de wereld en onszelf geneest. Vrede, vrede.

Doopgedachtenis
Allen die gedoopt zijn, kunnen naar voren komen om twee aan twee
met het water uit de doopvont een kruisteken op het voorhoofd te maken met de duim,
als teken van het beamen van de doop.
U kunt ook mij als voorganger vragen dit te doen. Daarna kunt u gaan zitten.

Ondertussen zingen wij:

Lied – NLB 612
Wij komen als geroepen // en aan het licht gebracht.
Het leven te begroeten // heeft God ons toegedacht.
Wij komen als geroepen, // getekend met een naam,
van ongeweten toekomst // de mede-erfgenaam.

Geroepen om te leven, // gehouden aan zijn woord
van uitgesproken vrede, // van liefde ongehoord.
Herboren, uitgetogen // uit de toevalligheid,
bestemd voor de genade, // het donker al voorbij.

Getekend voor ons leven // als kind'ren van het licht,
gezaaid op hoop van zegen, // de dag als vergezicht.
God, breng ons zelf op adem // en treed in ons bestaan.
Bezegel onze vreugde // hier met uw eigen naam!

V:       Moge de almachtige God,
          de Vader van onze Heer Jezus Christus,
          die ons heeft doen herboren worden
uit water en heilige Geest
en ons vergeving heeft geschonken van onze zonden,
ons door zijn genade bewaren
tot eeuwig leven in Christus, onze Heer.
G:        Amen.

Voorbeden

Ritueel van het licht

Lied – NLB 598
Als alles duister is,
ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft,
vuur dat nooit meer dooft (2x)

We steken een kaars aan en zien uit naar het licht.

Het aansteken van de kaarsen
We ontsteken onze kaars aan de brandende kaars en geven het licht door en vormen een kring door de kerk. Zorg dat u vanaf uw plek zicht heeft op het scherm.
Als de kaars van iedereen brandt, zingen we:

Lied – NLB 601
Licht dat ons aanstoot in de morgen, / voortijdig licht waarin wij staan
koud, één voor één, en ongeborgen, / licht overdek mij, vuur mij aan.
Dat ik niet uitval, dat wij allen / zo zwaar en droevig als wij zijn
niet uit elkaars genade vallen / en doelloos en onvindbaar zijn.

Licht, van mijn stad de stedehouder, / aanhoudend licht dat overwint.
Vaderlijk licht, steevaste schouder, / draag mij, ik ben jouw kijkend kind.
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen / of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen / en elk zijn naam in vrede draagt.

Alles zal zwichten en verwaaien / wat op het licht niet is geijkt.
Taal zal alleen verwoesting zaaien / en van ons doen geen daad beklijft.
Veelstemmig licht, om aan te horen / zolang ons hart nog slagen geeft.
Liefste der mensen, eerstgeboren, / licht, laatste woord van Hem die leeft.



Zending en zegen
Afgesloten met 3x amen

We gaan met onze brandende kaars naar de uitgang.
Bij de uitgang blaast u de kaars uit en zet u deze in de vaas.

Wij wensen u/jou een genaderijke en troostrijke nacht toe.
We hopen u/jou op Paasmorgen in gezondheid te begroeten.




 

terug
×